Beëindiging van een BV: enkele fiscale basisbegrippen
In het eerste deel van de blogreeks stonden we kort stil bij het belang van een goede voorbereiding van het beëindigingstraject. De keuze voor de wijze waarop een BV moet worden beëindigd wordt mede ingegeven door fiscale verplichtingen van de BV. In deze tweede blog wordt stilgestaan bij enkele fiscale basisbegrippen die in het kader van de beëindiging van een BV relevant zijn.
Vooraf: De fiscale eenheid
Van belang is om te onderzoeken of de BV onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid. Bij een fiscale eenheid worden meerdere ondernemers – mits aan de door de Belastingdienst gestelde voorwaarden is voldaan – voor de omzet- of vennootschapsbelasting als één ondernemer beschouwd. In de praktijk bestaat een fiscale eenheid veelal uit een moedermaatschappij en één of meerdere dochtermaatschappijen.
Wordt een BV die onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid beëindigd, is het van belang de gevolgen van deze beëindiging voor de fiscale eenheid in kaart te brengen. Houdt de fiscale eenheid op te bestaan, omdat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan, is het van belang dit tijdig te melden bij de Belastingdienst. Voorgaande is van belang voor de tenaamstelling van de aangifte en de aansprakelijkheid.
Omzetbelasting
Wanneer een BV niet aan al haar lopende verplichtingen kan voldoen, ontstaan er schulden. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een BV producten inkoopt bij een leverancier, maar deze factuur niet kan betalen. In dergelijke gevallen ontstaat er in het kader van de beëindiging (ook) een omzetbelastingschuld. Deze schuld ontstaat doordat de BV over de onbetaald gebleven producten ten onrechte btw in vooraftrek heeft genomen. Dit wordt ook wel de zogenaamde 29.7-claim genoemd.[1]
Wanneer de betreffende BV onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de btw, zal de Belastingdienst voor wat betreft de omzetbelastingschuld onderzoeken of er binnen deze fiscale eenheid nog een solvabele entiteit is. Zo ja, zal de Belastingdienst de omzetbelastingschuld verhalen op deze solvabele entiteit.
Mocht de beëindiging van een BV door middel van een akkoord tot de mogelijkheden behoren, is het van belang dat de Belastingdienst in een dergelijk geval doorgaans aanspraak maakt op volledige betaling van de 29.7-claim.
Vennootschapsbelasting (verder: “vpb”)
Als eigenaar van een BV moet je voor de BV aangifte vennootschapsbelasting doen. De vennootschapsbelasting is een belasting over de belastbare winst.
In het kader van de vpb is van belang onderscheid te maken tussen de kwijtscheldingswinst en de kwijtscheldingsvrijstelling. De kwijtscheldingswinst is het fiscale voordeel dat ontstaat wanneer een schuldeiser (gedeeltelijk) afziet van een vordering op de BV, bijvoorbeeld bij een sanering of een faillissement. Deze kwijtscheldingswinst wordt in beginsel verrekend met fiscale verliezen uit het verleden, mits deze verliezen tijdig en formeel zijn vastgesteld.
De kwijtscheldingsvrijstelling zorgt er vervolgens voor dat – onder voorwaarden – de winst die ontstaat door het kwijtschelden van niet-verhaalbare schulden buiten de heffing van de vpb blijft, voor zover deze winst hoger is dan de nog te verrekenen verliezen uit het verleden en het lopende jaar. Deze regeling voorkomt enerzijds dat ondernemingen die in financieel zwaar weer verkeren alsnog met een zware fiscale last worden geconfronteerd en maakt anderzijds een akkoord bij een insolvente BV binnen een fiscale eenheid aantrekkelijker.
Bodemzaken
Een bodemzaak is een roerende zaak die zich op de bedrijfslocatie (de zogenaamde ‘bodem’) van de belastingschuldige bevindt en dient voor de bedrijfsvoering. Hierbij kan je denken aan inventaris en machines. Op deze bodemzaken rust het bodemvoorrecht van de fiscus, wat inhoudt dat de Belastingdienst bij bepaalde belastingschulden voorrang heeft boven andere schuldeisers bij verhaal op deze goederen.
Onder bepaalde omstandigheden geldt ten aanzien van deze bodemzaken een mededelingsplicht.[2] Dit is het geval wanneer bijvoorbeeld de BV als eigenaar voornemens is om de bodemzaken te verkopen, te verplaatsen of anderszins aan het bodemrecht te onttrekken. De BV moet dit voornemen dan melden bij de Belastingdienst. Vereist is wel dat de bodemzaak van enige omvang is. Daarbij geldt als uitgangspunt een liquidatie van € 10.000,- of meer. Na de melding geldt een wachtperiode (4 weken) waarin de Belastingdienst de mogelijkheid heeft om bodembeslag te leggen. Wordt deze wachtperiode niet in acht genomen, kan de Belastingdienst de hierdoor geleden schade (gemaximeerd op de executiewaarde) verhalen op de belastingschuldige
Concluderend, in het kader van een voorgenomen beëindiging van uw BV is het van belang uw fiscale rechten en plichten nauwgezet in kaart te brengen. TLC helpt u graag.
Vragen?
Heeft u vragen over deze blog of andere ondernemingsrechtelijke kwesties? Benader dan gerust een van onze specialisten via mr. Willeke Krieger (krieger@tlcadvocaten.nl). Tevens zijn we te bereiken op 053-3033000 (Enschede), 0523-745640 (Hardenberg), 085-4017982 (Oldenzaal) of via info@tlcadvocaten.nl
[1] Artikel 29 lid 7 Wet op de omzetbelasting 1968.
[2] Artikel 22bis Invorderingswet 1990.