Kan een onderbedelingsvordering onredelijk worden door verloop van tijd?
Bij een echtscheiding moeten de bezittingen en schulden van de voormalige echtgenoten worden verdeeld. Wanneer één van de partners de gezamenlijke woning krijgt toebedeeld, kan het zijn dat de andere partner recht heeft op een zogenoemde overbedelingsvordering wanneer de woning meer waard is geworden. Maar ook is het denkbaar dat er sprake is van een onderbedelingsvordering wanneer de waarde van de woning is gedaald. Dit betekent dat de niet-toebedeelde partner gehouden is de ander financieel te compenseren, zodat een evenwichtige verdeling ontstaat. Maar wat gebeurt er wanneer de situatie in de tussentijd verandert? Kan een beroep op zo’n vordering na verloop van tijd alsnog onredelijk worden? In haar arrest van 27 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:501) heeft de Hoge Raad zich over deze vraag uitgesproken. U leest er meer over in onderstaande blog!
Onder- en overbedeling bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap
Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt gekeken naar de waarde van de bezittingen en schulden op het moment van verdeling, het peilmoment. Wanneer één van de partners een goed toebedeeld krijgt dat meer waard is dan zijn of haar aandeel in dat goed, is er sprake van overbedeling. De ander heeft dan een overbedelingsvordering op de partner die het goed toebedeeld heeft gekregen. Daarvan is regelmatig sprake bij de verdeling van de woning, omdat daar vaak overwaarde in zit.
In de huidige woningmarkt is het wellicht lastig voor te stellen, maar het kan voorkomen dat een woning onderwaarde heeft. In dat geval is bij de verdeling sprake van onderbedeling: de waarde van de woning is lager dan de daarop rustende schuld, waardoor het negatieve saldo moet worden verrekend. Dit brengt mee dat de partner aan wie de woning wordt toebedeeld, in feite een groter deel van de schuld op zich neemt dan overeenkomt met diens aandeel in de gemeenschap. Ter compensatie is de andere partner gehouden een bedrag te voldoen aan degene die de woning toebedeeld krijgt, zodat uiteindelijk een evenwichtige verdeling van het gezamenlijke vermogen wordt bereikt.
De situatie in deze zaak
In de zaak die bij de Hoge Raad terechtkwam, was de echtscheiding in 2015 uitgesproken. De rechter had bepaald dat de gezamenlijke woning aan de man werd toebedeeld. Op dat moment had de woning een onderwaarde. Omdat de man ten tijde van de uitspraak niet de financiële middelen had om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek te laten ontslaan en de vrouw op haar beurt niet de middelen had om een eventuele onderbedelingsvordering te betalen, werd de levering van de woning uitgesteld. Pas in 2020 werd de woning daadwerkelijk aan de man geleverd. In de tussentijd was de woningmarkt veranderd en had de woning inmiddels een aanzienlijke overwaarde gekregen. De man stelde vervolgens dat de vrouw alsnog de onderbedelingsvordering aan hem moest betalen.
Het beroep op redelijkheid en billijkheid
De vrouw voerde in hoger beroep aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar alsnog tot betaling te verplichten. Volgens haar was de situatie immers wezenlijk veranderd sinds de oorspronkelijke beslissing over de verdeling. Het gerechtshof oordeelde echter dat de man nog steeds aanspraak kon maken op de onderbedelingsvordering. Volgens het hof moest namelijk worden uitgegaan van het moment van verdeling in 2015, ook al had de feitelijke levering van de woning pas in 2020 plaatsgevonden.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid. Volgens de Hoge Raad had het hof moeten beoordelen of het, gezien de gewijzigde omstandigheden en het tijdsverloop, daadwerkelijk aanvaardbaar was dat de man nog aanspraak maakte op de onderbedelingsvordering. Door dat niet te doen, was het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof ook een grief van de man onbehandeld had gelaten. Om die redenen werd de uitspraak vernietigd en is de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Conclusie
Dit arrest van de Hoge Raad laat zien dat tijdsverloop en veranderde omstandigheden een rol kunnen spelen bij de vraag of een beroep op een onderbedelingsvordering nog redelijk is. Hoewel in beginsel wordt gekeken naar de situatie op het moment van verdeling, kan een beroep op een vordering in uitzonderlijke gevallen toch worden getoetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De uiteindelijke beoordeling hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Ook in deze casus laat de concrete uitkomst nog op zich wachten in afwachting van de verdere behandeling door het hof.
Vragen?
Heeft u vragen over deze blog of andere familierechtelijke kwesties? Benader dan gerust een van onze specialisten via mr. Willeke Krieger (krieger@tlcadvocaten.nl). Tevens zijn we te bereiken op 053-3033000 (Enschede) of 0523-745640 (Hardenberg) of via info@tlcadvocaten.nl